In de Volkskrant vraagt Harriet Duurvoort zich af wie straks de billen van onze bejaarden moet gaan wassen. Een terechte vraag, aangezien Nederlanders zich steeds minder voortplanten. Als het sombere toekomstbeeld dat ze schetst uitkomt, zal de vergrijzing onze persoonlijke levens waarschijnlijk harder gaan treffen dan de opwarming van de aarde dat zal doen.

De gewetensvraag is echter: wie gaat straks de billen wassen van de bewust kinderlozen? Van de mensen die helemaal geen zin hebben in zorg en verantwoordelijkheid, maar die er wel van uitgaan dat anderen die zorg en verantwoordelijkheid op zich zullen nemen straks? Of preciezer gezegd: de kinderen van anderen?

De belangrijkste reden om kinderloos te willen blijven is omdat kinderen vrijheid, hedonisme en zelfontplooiing in de weg staan, wat natuurlijk ook zo is. De eindeloze feestweekenden waar Duurvoort het over heeft kun je inderdaad vergeten, evenals als die roman die je nog wilde schrijven en alle wereldreizen die je nog wilde maken, en de draad van het seksleven kan pas weer worden opgepakt als het lichamelijk verval reeds heeft ingezet. Kortom, heel dat groots en meeslepend leven zoals je het voor ogen had kan op de buik geschreven worden.

Zelf brengen de levensgenieters doorgaans meer nobele redenen aan ter verantwoording van hun kinderloosheid, zoals bijvoorbeeld de slechtheid van de wereld, welke zij hun nageslacht willen besparen. Een ander veel gebruikt argument is de overbevolking; ter bestrijding daarvan zijn zij graag bereid om de vreugde van het ouderschap op te offeren. Beide redenen zijn natuurlijk niet de echte redenen, maar slechts rationalisaties achteraf, oftewel zelfbedrog. Als puntje bij paaltje komt laat niemand met een serieuze kinderwens zich door wereldverbeterij tegenhouden.

We kunnen ze echter nauwelijks iets kwalijk nemen. Mensen zijn maar beperkt autonome wezens, en de beslissingen die zij nemen voegen zich grotendeels naar het type samenleving waarin men leeft. Naast hedonisme spelen er bovendien nog meer factoren een rol. Dat individualisering en anticonceptie sinds de jaren zestig een flinke wissel getrokken hebben op de geboortecijfers is geen nieuws, maar dat inmiddels ook de immer toenemende economisering van het leven verregaande invloed heeft op de demografie wordt nog nauwelijks onderkend.

Ooit vormde het hebben van veel kinderen een buffer tegen bestaansonzekerheid. Maar waar destijds de kinderen zèlf het kapitaal waren, zijn zij tegenwoordig vooral obstakel in de jacht òp kapitaal. Kinderen grootbrengen kost immers veel geld, en voor een vliegende start of soepel verloop van je carrière zijn het geen ideale bondgenoten. Op een arbeidsmarkt waarin iedereen gedwongen met elkaar concurreert verkeren leeftijdgenoten zonder kroost vanzelfsprekend in een betere concurrentiepositie. Tevens kunnen zij eerder beginnen met sparen, investeren of een huis kopen. Het overheidstreven om zoveel mogelijk werknemers te bekeren tot flexwerker of ZZP-er is in dit licht bezien dan ook adembenemend. Gedwongen flexibiliteit brengt onrust en onzekerheid met zich mee; dat het wiegje vervolgens leeg blijft begrijpt een kleuter nog.

In een samenleving, gefundeerd op een hard-rechtse economie en voortgestuwd door genotsoptimalisatie, werkt het dus omgekeerd: hoe minder kinderen, hoe meer bestaanszekerheid. Hieruit volgt automatisch dat voortplanting uitgesteld of zelfs afgesteld wordt.

‘Juist goed toch, als er in Nederland wat minder mensen wonen straks?’ vraagt u zich wellicht af. Ten eerste zal dat niet gebeuren, want in een populair immigratieland als Nederland worden dalende geboortecijfers als vanzelf gecompenseerd met aanvoer van buitenaf, precies hetgeen wat Duurvoort aanvoert als argument ter acceptatie van meer arbeidsimmigratie. Met arbeidsimmigratie an sich is weinig mis, maar op deze manier ingezet is het niets meer dan symptoombestrijding waarvan je je af kunt vragen hoeveel draagvlak er voor is; het zullen niet de hoogopgeleide en progressieve kenniswerkers zijn die staan te popelen om onze billen af te vegen straks.

Ten tweede zal het hebben van broers, zussen of naaste familie met elke generatiewisseling een zeldzamer fenomeen worden, laat staan het hebben van kleinkinderen. Mensen die op hun veertigste hun eerste en tevens laatste kind krijgen lijken vaker regel dan uitzondering; een groeiende groep mensen mist –al dan niet vrijwillig- definitief de boot. Uiteraard treft niet iedereen het met zijn of haar naasten, maar over de loop van een mensenleven is het hebben van familie doorgaans een kostbaar bezit. Teloorgang daarvan zal de toch al broze samenhang in de samenleving niet ten goede komen.

Ten derde zal de economische en politieke macht van de kinderlozen almaar toenemen, met als gevolg dat de samenleving zich steeds meer naar hun wensen voegt. Zo ontstaat de zoveelste maatschappelijke scheefgroei; het zou me niet verbazen als er tussen mensen met en zonder kinderen een loonkloof bestaat. Ook de spaarpot van mensen zonder kinderen zal voller zitten. Hierdoor kunnen zij op hun oude dag van betere zorg genieten, daarbij verzorgd door de kinderen van mensen die zelf vertoeven in een verzorgingstehuis van B-garnituur. Terwijl de laatsten degenen zijn die de wèrkelijke diepte-investering in de samenleving hebben gedaan.

Nederland heeft meer migranten nodig; wellicht. Maar hebben we allereerst niet gewoon meer kinderen nodig? Wanneer doet Nederland iets aan het huidige economische ontmoedigingsbeleid en schaft ze, in navolging van China, haar eenkindpolitiek af?