Als klein ventje nam mijn grote broer mij regelmatig mee op zijn tochten door de natuur. Het liefst klommen we over prikkeldraad en sprongen we over sloten, de gebieden in waar je niet mocht komen. Daar leefden immers de spannendste dieren.

Mijn broer kende alle diersoorten die bestonden, en hij zag dieren die niemand zag. In één van zijn beestenboeken stonden plaatjes van elke vogel die in Europa voorkwam. Telkens als hij weer een nieuwe soort in het echt had gezien, zette hij met viltstift een dikke stip bij het plaatje van de vogel in kwestie. Nu moesten er in het boek nog flink wat stippen bijgezet worden, en het is hier dat de geschiedenis van de mysterieuze Grote Zaagbek een aanvang nam.

Ik moet een jaar of vijf, zes zijn geweest. Ons gezin had een boot, een ouwe viskotter, door mijn vader omgebouwd tot zeilboot. Hij had ons naar een afgelegen stuk kust geleid, ik weet niet meer welk, of waar precies. Het was het einde van het seizoen en de recreanten in hun witte jachtjes waren nergens te bekennen. Het was hier sowieso niet het type kust voor lichtzinnige watersport. De wind was onrustig, grijze wolken schoven voorbij als blokken beton, gigantische zilvermeeuwen pikten en krijsten, gunden elkaar niks.

Zoals wel vaker moest mijn broer zich die middag over mij ontfermen, wat voor hem geen belemmering was om alsnog op avontuur te gaan. Hij nam mij dan gewoon mee, mijn moeder op het hart drukkend dat we niets gevaarlijks zouden gaan doen. Ze was bezorgd maar liet ons. Die dag was het niet anders.

Ze zei dat we anders maar eens moesten gaan kijken bij het vuurtorentje aan de mond van de haven. We liepen langs de roestige vissersschepen, de zwarte dukdalven waren oud en verweerd. Ik snoof de melange van teer en scheepstouw diep in mij op, onder mijn blauw-witte bootschoentje kraakte het schild van een leeggevreten krab.

Mijn broer had het over strandlopers en bruinvissen. Ik luisterde half. Mijn gedachten dwaalden af naar de zeventiende-eeuwse gravures uit het scheepsmuseum, waarop de gruwelijkste zeemonsters stonden afgebeeld. Reusachtige gedrochten vol sprieten en tentakels, in gevecht met onverschrokken zeelui die eeuwen geleden moeten zijn vertrokken uit haventjes als dit.

Het opvangen van de vreemde woordcombinatie ‘grote zaagbek?’ deed me terug op aarde keren. Voor het café dat we passeerden stonden twee of drie mannen, mijn broer raakte in gesprek. Zo te horen was men op zoek naar iemand -of iets?- dat na eeuwen van afwezigheid in de streek was teruggekeerd. Ik begreep het dialect maar half, en naarmate de opwinding steeg werd het nog onverstaanbaarder. Ik keek omhoog naar mijn broer, zijn ogen stonden groot. ‘Kom!’ zei hij.

De golven sloegen stuk op de stenen dijk waarop wij liepen, na te zijn afgeslagen bij de vuurtoren.

Op een houten bank zat een stokoud schippertje, aan zijn verweerde kop te zien één die de zeven zeeën bevaren had. Vanuit het donker onder zijn pet keken twee gloeiende kooltjes mij aan. Als een kraai schoot hij naar voren. “Òs zoo een bek je vast kniet, den loat ie ze nie meer lop’n oei!” Ik deinsde terug, mijn broer trok me mee. Was het een grijns, of een bezorgde grimas die ik zag toen ik naar hem omkeek? Al gauw waren de vuurtoren, de haven en het mannetje uit het zicht verdwenen, en waren we verder dan moeder had willen weten.

De dijk leek eindeloos. De branding werd feller, alsof ze ons wilde waarschuwen. We stopten bij een half vergane steiger, waarschijnlijk ooit gebruikt door schelpenvissers. “Het zijn listige beesten. Ze willen nog weleens onder oude steigers kruipen” wist mijn broer, waarschijnlijk van één van de rotten uit het café. Vast om zo argeloze prooi met hun vreselijke muil de zee in te trekken, dacht ik.

We tuurden over het water. Hij met zijn verrekijker, ik met mijn hand boven mijn ogen, als een Indiaanse verkenner. De zacht fluitende wind bracht een speels maar onheilspellend wijsje voort, een oud zeemanslied, een flard uit het verleden. Ik ging iets dichter tegen mijn broer aan staan, en begon zo langzaamaan te verlangen naar de schoot van mama, gewikkeld in een dekentje, terwijl mijn moeder neuriede en me wiegde op het ritme van de deining.

“Ja daar!” riep hij plots. Mijn hart sloeg over. Hij wees naar het water aan het einde van de steiger. Ik zag wat golfslag, maar of dit veroorzaakt werd door het wezen of door de branding wist ik niet. Mijn broer rende de steiger op. “Blijf staan!” schreeuwde hij. Ik versteende en zag hoe hij, op zijn buik liggend, zo ver mogelijk over de rand van de steiger kroop. Ik keek naar de twee benen op de steiger, die daar roerloos lagen. Ik zag nog altijd niets, behalve een sierlijke, eend-achtige vogel die aan de andere kant van de steiger tevoorschijn kwam en stilzwijgend wegvloog.

Na een tijd kroop mijn broer weer omhoog, teleurgesteld. Hij had er duidelijk de pest in. “Ik zou zweren dat ik er één weg zag schieten. Wat jammer, de Grote Zaagbek was hier zo goed als uitgestorven. Wat had ik die kerel uit het café graag verteld dat ik er eentje had gezien!” Een enorme bewondering voor mijn broer welde in mij op. Zwijgend liepen we terug. Mijn hand zocht de zijne. Trots was ik, maar vooral erg opgelucht.