In een recent interview legt de actrice Halina Reijn uit, waar het in het moderne feminisme om te doen is. Doel is, onder meer, om de man zo te conditioneren, dat hij niet meer denkt, en ik citeer: ‘God, wat een mooie tieten, maar meer: wat een betrouwbaar persoon is dit.’

De gedachte is namelijk dat mannen en vrouwen pas wérkelijk gelijkwaardig samen kunnen werken, als er tussen hen geen seksuele spanning meer heerst. Een begrijpelijk streven, gezien de hoeveelheid onwenselijke toenadering waar veel vrouwen blijkbaar nog altijd mee te kampen hebben. Maar hoe realistisch is het streven naar wat Reijn de ‘ontkoppeling van directe seksualiteit en de vrouwelijke verschijning’ noemt eigenlijk?

Volgens de klassiek-feministische theorie is de mannelijke manier van kijken aangeleerd, en kan zij dus ook weer afgeleerd worden. Ikzelf hoor echter bij die steeds zeldzamer wordende soort mensen die nog in Darwins evolutietheorie gelooft, die stelt dat de mens afkomstig is van het dier. Of beter gezegd: in de kern nog altijd dier is.

De motor achter de evolutie van het leven op aarde is natuurlijke selectie: organismen die zich niet bezighouden met voortplanting, oftewel seks, planten zich domweg niet voort. En degenen die net wat fanatieker of handiger zijn in het bemachtigen van voedsel en seks dan de rest, maken domweg meer kans om hun DNA te verspreiden, waarmee hun fanatisme en handigheid zich automatisch ook meer verspreiden; talent is immers erfelijk. Zo ontstaat er vanzelf een evolutionaire race naar de top: de manieren om voedsel te verschalken, concurrenten de loef af te steken, of om het andere geslacht te verleiden, worden almaar verfijnder en talrijker.

Té fanatiek of zelfzuchtig tekeer gaan is trouwens niet goed, dat schrikt maar af, en soortgenoten kunnen zich tegen je keren; het koord is dun. Tel hierbij op het dunne laagje cultureel vernis dat in de laatste seconde van de evolutie over onze natuur heen is komen te liggen, en we zijn in het heden aanbeland: de meeste mannen zijn inmiddels brave burgers, en weten hun lusten doorgaans redelijk in bedwang te houden.

Desalniettemin vraagt een man zich, reflexmatig, in eerste instantie nog altijd één van de volgende dingen af, wanneer het een ander levend wezen tegenkomt: Eén: is het verslaanbaar? Twee: is het eetbaar, of anderszins bruikbaar? Drie: is het neukbaar? Uiteraard maakt het verschil of het wel of geen soortgenoot betreft, en is ook het geslacht van belang. Bovendien is er veel grijs gebied, en overlappen de vragen elkaar soms.

Hoe dan ook, zonder de ontwikkeling van deze ‘drievoudige reflex’ zouden we nog altijd niet veel meer zijn dan wat we In Den Beginne waren, te weten een paar kluitjes genderneutraal aminozuur, pruttelend in een poeltje hier en daar. Derhalve ligt genoemde reflex diep in ons DNA verankerd. Mannetjesdieren die zich door andere motieven laten leiden, houden het logischerwijs niet lang vol in de moordende concurrentiestrijd die het leven nu eenmaal is; laat staan dat ze erin slagen om, middels geslachtelijke voortplanting, hun erfelijk materiaal door te geven. Zo verhindert de natuur vanzelf de verspreiding van genen die zich primair met bijzaken bezighouden.

Terug naar de gemengde werkvloer, oervraag nummer drie indachtig. Theo Maassen formuleerde het ooit als volgt, als ik het mij goed herinner: ‘De afweging die elke heteroseksuele man in een fractie van een seconde maakt, op het moment dat hij een vrouw ontmoet, is: ‘Zou ik het ermee kunnen?’ Een weinig verheven gedachte misschien, maar daarom nog niet minder waar.

Van belang hierbij is om te beseffen dat dergelijke overwegingen doorgaans afgehandeld worden in ons onbewuste. Pas bij overschrijding van een bepaalde drempelwaarde wordt de vraag van het ene naar het andere hersengedeelte overgeheveld, en kan het bewustzijn zich alsnog actief met de kwestie gaan bemoeien. Dus geen zorg, zelden is de man of collega waar u een praatje mee maakt tegelijkertijd, doelbewust en weloverwogen, een lijstje met criteria aan het afvinken.

Vergelijk het met het bewegen in het verkeer. De meeste auto’s, voetgangers of fietsers die naderen, bereiken uw bewustzijn niet. Toch heeft uw brein ze voortdurend op de radar, en wordt de boel keurig gecategoriseerd: wel gevaarlijk / niet gevaarlijk.

Het tragische is dat degenen die het ontkoppelen van verschijning en seksualiteit bepleiten, zonder dat zelf in te zien, feitelijk een nieuwe scheiding der seksen voorstaan. Immers, als je van mening bent dat seksuele spanning een gelijkwaardige samenwerking principieel onmogelijk maakt, kun je niet anders dan concluderen dat mannen en vrouwen in het geheel niet samen zouden moeten werken.

Als gevolg van onze biologische basisconfiguratie heerst er namelijk altíjd een zekere seksuele spanning tussen man en vrouw, hoe verwaarloosbaar die doorgaans ook is. Voorstellen tot seksuele hervorming zijn prima, maar voorstellen waarin onze seksuele natuur ontkend wordt zullen gedoemd zijn om te mislukken; sommige functies in ons brein laten zich domweg niet uitschakelen. Heteroseksuele mannen die desondanks beweren dat zij wél in staat zijn om de vrouwelijke verschijning los te kunnen zien van seksualiteit in enigerlei vorm, zijn daarom óf a-sexueel, óf niet in staat tot introspectie, óf voor geen cent te vertrouwen.

Uiteraard is dit geen pleidooi om eventuele onwenselijkheden dan maar gelaten te ondergaan. Evenmin ben ik voorstander van een terugkeer naar de gescheiden werkvloer, noch lijkt de burka mij bijdragen aan een goede werksfeer. Mijn indruk is, op basis van persoonlijke ervaring, dat mannen en vrouwen prima samen kunnen werken, eventuele seksuele spanningen ten spijt.

Het beschrijven van de verhouding tussen man en vrouw in biologische termen, leidt nochtans tot de conclusie dat de man een seksueel roofdier is. Hieruit volgt logischerwijs dat de vrouw dan het prooidier is. Mogelijk is, paradoxaal genoeg, juist in dit defaitisme de sleutel naar meer gelijkwaardigheid te vinden. Want we kunnen veel ongelijkheid gelijktrekken, maar niet de fysieke ongelijkheid; over het algemeen zijn mannen domweg sterker.

Van de potentiële dreiging die van deze asymmetrie uitgaat zou een man zich meer bewust kunnen zijn. Ook al zijn de meeste mannen in de praktijk volstrekt ongevaarlijk; ze dragen geen bordje om hun nek waaraan je ze kunt herkennen. Het is hierom dat je als man de morele plicht hebt om vrouwen zich te allen tijde seksueel veilig te laten voelen, en ons seksuele instinct, hoe rauw en dierlijk soms ook, is daartoe echt geen onneembare horde.